Foto: Niek Erents Fotografie
Theo den Hertog, bestuurder RIBW Overijssel: “Vroeger zeiden we binnen de maatschappelijke ggz: je zit nu niet meer aan de behandelkant, maar bij ons aan de begeleidingskant en hier zit je goed.
Want hier gaat het minder over medicatie en meer over vaardigheden. Maar nu weten we: wij moeten ook doorontwikkelen. Je eigen woning, in de wijk, met je eigen buren, met je eigen steunstructuur en je eigen sociale omgeving: dat is de gezonde plek. En dat is de focus die we met elkaar moeten hebben. Samen met de specialistische ggz en ook met bijvoorbeeld welzijnsorganisaties en woningcorporaties.
Mensen met psychische kwetsbaarheid hebben vaak al veel negatieve ervaringen opgedaan in het leven.
Ze hebben gehoord dat ze dingen niet kunnen, er niet toe doen, dat ze niet mee mogen doen. En voor een deel hebben wij daaraan bijgedragen: we hebben mensen geïsoleerd, heel lang afhankelijk gemaakt van medicatie of therapiesessies. Veel cliënten die we begeleiden hebben daarom weinig zelfvertrouwen. Als je dan een Wlz-indicatie krijgt en hoort: die heb je voor de rest van je leven; dan kan dat ook voelen als een safe haven. Voor de doelgroep kan het spannend zijn om weer zelfstandig in de gemeenschap te gaan wonen, juist omdat het niet gelukt is in het verleden. Wij moeten iemand hier dus goed bij begeleiden. Over de zorgvelden heen kijken. Wat is de ondersteuningsbehoefte van deze persoon en hoe zorgen we ervoor dat hij of zij die ondersteuning ook echt krijgt in de wijk?
In de hele keten krijgen we meer oog voor wat iemand wél kan en voor het belang van het maatschappelijk functioneren.
Als je tien jaar op straat hebt geleefd, cold turkey bent afgekickt en weer in herstel komt, dan heb je heel veel kracht. Kun je die kracht gebruiken om de volgende stap te zetten en zelfstandig te gaan wonen? En kun je je vaardigheden gebruiken om zelf een helpend netwerk te creëren? Wij begeleiden dat uiteraard. Zo bescheiden en licht mogelijk en zo intensief als nodig. Mensen verblijven alleen in de 24-uurs voorziening als het echt niet anders gaat. De meeste van onze 2500 cliënten wonen in een eigen woning. Met hulp van naasten, ervaringsdeskundigen, vrijwilligers en onze samenwerkingspartners. Wij als organisatie moeten, kunnen en gaan hier ook nog verdere stappen in zetten.
Wanneer een cliënt een vraag stelt, krijgt hij een ander antwoord dan wanneer bijvoorbeeld mijn zoon dezelfde vraag zou stellen.
Als we het over inclusie hebben, zou dat eigenlijk niet moeten. Maar als zorgprofessionals zijn we geneigd een zorgantwoord te geven. Zorg bieden, is waar we voor opgeleid zijn; goede interactie door krijgen en waardering voor krijgen. Vanuit de organisatie, van het netwerk van de cliënt en van de cliënt zelf. Want die laatste is in zijn of haar sociale contacten ook vaak afhankelijk van de zorgprofessional. Dat moet anders en kan ook anders, maar dat heeft tijd nodig, bewustwording en scholing. Voor een cliënt kan het spannend zijn om het weer in de wijk te gaan proberen, maar wij vinden het ook fijn als die persoon een veilige plek heeft. Binnen de organisatie kun je daarvoor instaan, maar in de wijk met ambulante ondersteuning, heb je daar minder invloed op.
Hoe kun je deze persoon coachen in zijn of haar beweging in plaats van dat de beweging afhankelijk is van jou?
Digitale afspraken zijn een goed middel hierbij, maar hoe doe je dat precies als je de cliënt niet ziet? Groepsgewijs begeleiden, is nog ingewikkelder, Eén op een is echt anders dan vijf mensen met dezelfde ondersteuningsvraag in een klasje begeleiden en bij elkaar het antwoord laten zoeken. Sommige zorgprofessionals kunnen dat misschien niet aanleren. Als wij als branche wel die beweging willen maken, moeten we kijken hoe we die medewerkers ook iets anders kunnen bieden. Dat we zeggen: ‘misschien hoef jij dit stukje niet te kunnen, want je bent wel goed in het andere stukje’. Dat vraag denkwerk, overleg en investeren in de teams en collega’s, want zonder onze medewerkers kunnen we het niet.Je moet ook kijken wat de samenleving nodig heeft om deze beweging aan te kunnen.
De cliënten in de ggz hebben over het algemeen al in de wijk gewoond. Daar is het niet gelukt. Dus we moeten samen bedenken: wat moet er in de wijk veranderen? Hoe gaan we daar naar een sociale infrastructuur die ervoor zorgt dat cliënten daar kunnen gaan wonen of blijven wonen i.p.v verhuizen naar een 24-uursvoorziening? Dat is ook de rol die we als organisaties hebben: kijk wat er is om de cliënt daar naartoe te begeleiden. Heel veel voorzieningen, wijkaccommodaties, buurtsportcoaches, woonconsulenten begrijpen onze cliënten ook nog niet zo goed. Hoe kunnen we daar kennis toevoegen zodat die samenwerking beter wordt. Als we dat niet doen, vind ik het moeilijk om met onze cliënten die beweging te maken.
Ik denk dat het heel positief is als we een samenleving hebben waar we allemaal voelen dat iedereen kan en mag meedoen.
En ik voeg daar heel voorzichtig aan toe: en moet meedoen. De capaciteiten die je hebt moet je ook inzetten en onze cliënten hebben ook capaciteiten. Niet alleen in de wijk consumeren, maar ook bijdragen. Het zegt iets over de gezondheid van onze samenleving als dat lukt.
Hoe mooi is het, als we voor elkaar krijgen dat onze cliënten ook een fijne plek in de wijk hebben. Dat het een wijk is waar mensen naar elkaar omkijken en weten dat als je iets afwijkt van de standaard je ook waardevol bent en een fijne buurman kunt zijn.
Ik gebruik vaak twee voorbeelden om te illustreren dat het anders kan en ze hebben beide te maken met vertrouwen.
Cliënten in de maatschappelijke ggz opvang moesten in het verleden een hele route afleggen, onderweg heel veel vaardigheden leren om uiteindelijk hopelijk een eigen appartementje te krijgen. Toen is Housing first gestart. Daar begin je aan het eind. Je zegt: hier heb je de sleutel, ga maar zelfstandig wonen en dan kijken we samen hoe je daar kunt blijven wonen.
En zo heb je ook de participatieladder. Daarbij zeg je: dit zijn mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Die moeten onderaan de ladder beginnen en langzaam opklimmen naar een volwaardige baan. Toen zijn de IPS (Individuele Participatie en Steun) trajecten gestart. Daarbij is het niet van: je begint met papier prikken in het park en als je dat goed doet, mag je een treetje hoger et cetera. Nee, daar is het: je krijgt een passende baan en we zorgen samen dat je die behoudt. En het geeft meer urgentie: want als je iets goeds hebt, wil je dat graag behouden. Dat zijn heel succesvolle verhalen. Het geeft enorm veel vertrouwen als iemand zegt: jij kunt het! Dat is ook waar onze beweging om draait. Werken vanuit de positieve gedachte en geloven dat we de beweging kunnen maken van zorg naar gewoon leven.